EEN SUBJECTIVERING VAN HET STRAFRECHT

Illustré par :

Het jaar 2016 heeft een ware inflatie van de strafwetgeving te zien gegeven. Twee belangrijke wetten, één in augustus, herdefiniëren de andere, die in december is aangenomen, bestrafthet « indirect aanzetten » tot terrorisme. « deelname » aan een terroristische organisatie en De definitie van« voorbereiding » van terroristische daden is een belangrijke stap voorwaarts in het proces van subjectivering van het strafrecht, dat zo’n vijftien jaar geleden is begonnen. Deze tendens, die alle lidstaten van de EU gemeen hebben, gaat vooraf aan de « strijd tegen het terrorisme » , die door de aanslagen van 11 september werd gelegitimeerd. 

In België begint het met de wet op de criminele organisaties van 10 januari 1999(1). Dit is een echte voorafschaduwing van de antiterrorismewetgeving, die zowel het lidmaatschap als de deelneming aan de wettige activiteiten van de zogenaamde criminele organisatie strafbaar stelt. Deze wet bouwt al een collectieve verantwoordelijkheid op. Het loutere feit deel uit te maken van een vervolgde organisatie, zonder een materieel strafbaar feit te plegen of het voornemen daartoe te hebben, is voldoende om te worden gestraft. De tweede fase komt overeen met de periode na de aanslagen van 9/11. Met de opname van het EU-kaderbesluit inzake terrorisme in het Belgische wetboek van strafrecht in december 2003(2) wordt een nieuwe strafbaarstelling ingevoerd waarin de terroristische daad en organisatie worden gespecificeerd. Het strafbare feit bestaat uit twee elementen: een objectief, d.w.z. een gewelddadige handeling, een aanval, de vernieling van een gebouw, enz. en het andere subjectief, de intentie waarmee de handeling wordt gepleegd. Het is dit subjectieve element dat doorslaggevend is. Een actie wordt als terroristisch beschouwd wanneer zij tot doel heeft de politieke, economische of sociale structuren van een land « ernstig te ondermijnen » of wanneer zij tot doel heeft het land te destabiliseren. Deze wet ontwikkelt ook een lidmaatschapsdelict. Men kan worden vervolgd, niet omdat men een bepaalde daad heeft begaan, maar gewoon omdat men lid is van of banden heeft met een organisatie die als terroristisch wordt aangemerkt. 

INDIRECTE » AANSPORING TOT TERRORISME 

Na de aanslagen in Frankrijk en België is de wetgevingsmachine in volle gang. De wet van 8 augustus 2016 « betreffende diverse bepalingen inzake de bestrijding van het terrorisme ».(3) maakt het strafbaar om aan te zetten tot reizen naar het buitenland « voor terroristische doeleinden », alsmede rekrutering, om naar het buitenland te reizen of om naar ons land terug te keren, « voor hetdoel van terrorisme ». Voorheen was alleen het aanzetten tot of rekruteren voor het plegen van een « terroristische aanslag » gedekt. 

Bovenal wijzigt het de strafbaarstelling van het aanzetten tot terrorisme, die reeds in de wet van 18 februari 2013(4) was opgenomen. Door de omzetting in Belgisch recht van Kaderbesluit 2008/919/JBZ van de Raad van de Europese Unie wordt het strafbaar gesteld een boodschap te verspreiden of ter beschikking van het publiek te stellen met de bedoeling « direct of indirect » aan te zetten tot het plegen van een terroristisch misdrijf. Dit was al een zeer vaag begrip, dat in strijd was met het legaliteitsbeginsel. In het geval van indirecte uitlokking moet de magistraat speculeren over de bedoelingen van de dader, alsook over de gevoelens van degenen die de boodschap ontvangen of zouden kunnen ontvangen. 

Er zij aan herinnerd dat deze door de wet van 2013 geboden mogelijkheid begin 2008 door de Belgische parlementsleden, zowel de meerderheid als de oppositie, was geweigerd tijdens een subsidiariteitstoetsing van het voorgestelde Kaderbesluit 2008/919/JBZ van de Raad van de Europese Unie, dat de vervolging van het aanzetten tot terrorisme verplicht stelt. De tekst die in 2013 werd aangenomen, verschilt echter niet van de tekst die in 2008 werd verworpen(5). De verandering in de houding van de wetgevende macht is symptomatisch voor de mate waarin wij de fundamentele vrijheden hebben opgegeven. 

Volgens de wet van 2013 moest de rechter, bij gebreke van een handeling, ook bepalen of de uitzending van het bericht « het risico doet ontstaan » dat een terroristisch misdrijf zou kunnen zijn gepleegd. Het is dus een zuiver subjectief element dat niet met enige objectivering mag worden geconfronteerd. Het is echter deze beoordeling die door de wet van 2016 wordt geschrapt. Het begrip « risico » is niet langer nodig om een uitlating of geschrift aan te merken als een indirecte aansporing tot terrorisme, waardoor de mogelijkheid wordt vergroot om een zuiver op meningen gebaseerd delict in te voeren. De betwiste uitlatingen of geschriften worden dus zelf strafbaar gesteld, ook al leiden zij niet tot een terroristische daad of houden zij geen enkel risico daarop in. 

Deze beschuldiging zou een aanval kunnen zijn op radicale betwisting van het buitenlands beleid van België, woorden of geschriften die het Syrische volk zouden aanmoedigen zich te verdedigen tegen de NAVO-bombardementen op hun grondgebied. 

Voor het plegen van dit strafbare feit is altijd een bijzondere opzet vereist, zoals blijkt uit het gebruik van de woorden « met het oogmerk om rechtstreeks of zijdelings aan te zetten tot het plegen van een terroristisch misdrijf ». Opnieuw wordt de nadruk gelegd op het subjectieve aspect ten nadele van elk objectief element. 

Evenals de Franse wet inzake openbare uitlokking van terrorisme is het nieuwe wetsontwerp in strijd met het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme. Dit laatste is bijzonder expliciet:  » … Om te beoordelen  »of een dergelijk risico » ontstaat, moet rekening worden gehouden met de aard van de auteur en de ontvanger van het bericht, alsmede met de context van de auteur en de ontvanger van het bericht, alsmede met de context waarin het strafbare feit wordt gepleegd:(6)… »

VERONTSCHULDIGING VOOR TERRORISME IN FRANKRIJK 

In Frankrijk bestraft artikel L. 421–2‑5 van wet nr. 20141353, ter versterking van de bepalingen betreffende de bestrijding van terrorisme(7)« het rechtstreeks uitlokken van terroristische daden of het publiekelijk bepleiten van dergelijke daden ». Het stelt vast dat « verontschuldiging voor terrorisme » gelijk staat aan terrorisme. 

Door de verontschuldiging voor terrorisme uit de perswetgeving te halen en in het wetboek van strafrecht op te nemen, legt het artikel een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen meningsuiting en daden. Ervan uitgaan dat inhoud die als « verheerlijking van terrorisme » wordt beschouwd, terrorisme is, is een aanslag op de vrijheid van meningsuiting, omdat de grens tussen mening en apologie, informatie en propaganda, zeer vaag is. 

Sinds de aanslagen op de krant Charlie-Hebdo is het aantal processen wegens « apologie du terrorisme » verveelvoudigd en is een reeks gevangenisstraffen onmiddellijk uitgesproken. Als het bij verontschuldigingen gaat om het rechtvaardigen, verbeelden of aanmoedigen van terrorisme, hoe kan dan het voorbeeld van een 14-jarig meisje, dat werd aangeklaagd wegens verontschuldiging wegens terrorisme omdat zij had gezegd « Wij zijn de Kouachi zusters, wij gaan de Kalashnikovs tevoorschijn halen, » zegt ze in « de strijd tegen het terrorisme. 

Er zij aan herinnerd dat sinds het begin van de noodtoestand tot december 2016 in dit verband 4 292 huiszoekingen zijn verricht. Als gevolg daarvan werden 670 procedures ingeleid, waarvan 61 voor daden die verband houden met terrorisme, waaronder 41 voor « apologie van het terrorisme ». Dit laatste blijkt het leeuwendeel van de terrorismevervolgingen uit te maken, terwijl het ook gewoon een kwestie van mening kan zijn of gewoon een provocatie tegen de « rechtshandhaving ». 

Dankzij het begrip « indirecte » opruiing bereikt België het niveau van willekeur dat de Franse strafbaarstelling van verheerlijking van terrorisme toestaat. Indien deze twee landen verder gaan dan wat door de Raad van Europa is voorgeschreven, zijn zij nog een kleine stap verwijderd van het libertaire niveau van de Engelse wetgeving. Het Verenigd Koninkrijk liep vooruit op alle antiterrorismewetgeving van het continent en presenteert zich nog steeds als een onverslaanbaar model. 

NAAR HET ENGELS MODEL 

In Groot-Brittannië bevat de Terrorism Bill 2005 misdrijven als aanzetting tot terrorisme en indirecte uitlokking, waarvoor niet vereist is dat het de bedoeling is anderen aan te zetten tot het plegen van strafbare feiten. Iemand kan deze overtredingen begaan zonder het te beseffen. Er is sprake van een strafbaar feit van indirecte uitlokking wanneer een persoon die een verklaring aflegt of publiceert, slechts « roekeloos » is ten aanzien van de vraag of zijn of haar uitlatingen al dan niet zullen worden opgevat als een aanmoediging tot terrorisme. De wet hanteert een zeer brede benadering van het begrip roekeloosheid, waaronder De term « roekeloosheid » [qui] omvat elke situatie waarin de betrokkene redelijkerwijs niet had kunnen weten dat deze mogelijkheid bestond. » 

Evenals in België is de materialiteit van de feiten niet langer noodzakelijk om verklaringen te vervolgen, en evenmin moet aan de vervolgde personen een terroristisch oogmerk worden toegeschreven; dit laatste punt is specifiek voor het VK. Het volstaat dat een persoon, om het even wie, verklaart dat hij of zij zich door woorden van een derde aangezet voelt tot het plegen van terroristische daden, om de auteur van de toespraak te vervolgen. De spreker is dus verantwoordelijk voor de manier waarop zijn of haar uitspraken kunnen worden opgevat, ongeacht het doel en de bedoeling. Zo zouden woorden of geschriften ter ondersteuning van het Palestijnse verzet als basis voor vervolging kunnen worden gebruikt indien iemand die een bom in de Londense metro heeft geplaatst, daarnaar verwees als rechtvaardiging voor die actie. België en Frankrijk gaan stap voor stap in de richting van dit politieke model, dat de burgers voorhoudt dat het in alle omstandigheden veiliger is te zwijgen. 

HET BESTRAFFEN VAN VERONDERSTELDE EN ONBEWEZEN KENNIS 

In ons land wordt met de jongste wet van december 2016 « tot wijziging van het strafwetboek met betrekking tot de repressie van terrorisme »,(8) het begrip deelname aan een terroristische organisatie omgevormd. Deze strafbaarstelling, die is ingevoerd bij de wet van 19 december 2003, stelt « eenieder die deelneemt aan een activiteit van een terroristische groepering (…) in de wetenschap dat die deelneming bijdraagt aan het plegen van een misdrijf of strafbaar feit door de terroristische groepering » strafbaar.(9)« De wet van 2016 vervangt de woorden « kennis hebben » door « kennis hebben gehad of behoorden te hebben gehad » en het werkwoord « bijdraagt » door « zou kunnen bijdragen ». De verruiming van de strafbaarstelling is aanzienlijk. Het creëert een notie van vooronderstelde kennis die in de plaats komt van echte kennis. 

De strafbaarstelling in deze wet van 2016 draait de orde van de wet om door de overheid carte blanche te geven om burgers te vervolgen. Het staat tegenover de rechtszekerheid, die vereist dat de dader op het tijdstip van de handeling moet kunnen weten dat de handeling strafbaar is, wil een handeling strafbaar zijn. 

Parlementariërs hebben zojuist geaccepteerd wat zij eerder hadden geweigerd. Er zij aan herinnerd dat tijdens de parlementaire werkzaamheden met betrekking tot de bovengenoemde wet van 10 januari 1999 inzake criminele organisaties, een wetgeving die vooruitloopt op de antiterrorismewetgeving, de woorden « of moet weten » zijn weggelaten uit het artikel dat deelneming aan bepaalde activiteiten van de criminele organisatie strafbaar stelt. Tijdens de bespreking werd verklaard dat « Opdie manier, zo werd betoogd, zou de bewijslast worden omgekeerd, zou de rechter een te ruime beoordelingsmarge worden gelaten en zou hij ertoe worden gebracht de schuld van een verdachte af te leiden « in abstracto, zonder verwijzing naar zijn ervaring. 

De wet voorziet ook in de vervolging van handelingen ter voorbereiding van een terroristisch misdrijf die bestaan uit om de uitvoering van de handeling te« vergemakkelijken en mogelijk te maken » , maar Deze strafbaarstelling kan dus worden toegepast op handelingen die misschien niet illegaal zijn, maar dat wel worden omdat zij gepaard gaan met een « voornemen » om een terroristische daad te plegen. Deze strafbaarstelling kan dus betrekking hebben op handelingen die misschien helemaal niet illegaal zijn, maar dat wel worden omdat zij gepaard gaan met een « voornemen » om een terroristische daad te plegen. In de memorie van toelichting wordt gepreciseerd dat voorbereidende handelingen moeten worden onderscheiden van pogingen. De strafbaarstelling van de eerste maatregel zou het mogelijk maken in te grijpen vóór het strafbare feit wordt gepleegd, namelijk in de voorbereidende fase van het strafbare feit. Poging daarentegen wordt gekenmerkt door de manifestatie van uiterlijke handelingen die het begin vormen van de uitvoering van het strafbare feit. 

Anders dan bij poging, waarbij het om materiële handelingen gaat, berust de kern van het begrip voorbereiding van een strafbaar feit van terroristische aard dus op een subjectief element, namelijk het opzet dat aan de verdachte wordt toegeschreven. 

De regering liet zich inspireren door de Franse wetgeving. Wel bevat het een lijst van gedragingen die als voorbereidende handelingen moeten worden beschouwd. Merk op dat het ook de combinatie vereist van een voorbereidende handeling (het bezitten, zoeken, verkrijgen of vervaardigen van voorwerpen of stoffen die een gevaar voor anderen kunnen opleveren) met een andere (bijvoorbeeld het verzamelen van informatie over de plaats van een actie). In België is niet voor deze oplossing gekozen omdat zij « te restrictief » werd geacht. Het is het subjectieve element, het aan de dader toegeschreven criminele oogmerk, dat zal bepalen of de ondernomen handeling onwettig is, zonder dat, anders dan in Frankrijk, wordt getracht de strafbaarstelling van voorbereidende handelingen enigszins te objectiveren. 

Jean-Claude Paye, socioloog, auteur van De greep van het beeld. Van Guantanamo naar TarnacEditions Yves Michel. 

Notes et références
  1. www.etaamb.be/fr/loi-du-10-janvier-1999_n1999009159.html, lire « Vers un État policier en Belgique ? », Le Monde diplomatique, novembre 1999, et Vers un État policier en Belgique, 156p, EPO 1999.
  2. Loi du 19 décembre 2003 relative à l’infraction terroriste », Moniteur belge du 29 décembre 2003.
  3. Loi du 18 février 2013 modifiant le livre II, titre Ierter du code pénal, Moniteur belge, le 4 mars 2013.
  4. Loi loi du 27 avril 2016 relative à des mesures complémentaires en matière de lutte contre le terrorisme, publiée le 9 mai 2016, Moniteur belge, le 9/5/2016, p.30567.
  5. Manuel Lambert, Jan Fermon, « L’incitation indirecte au terrorisme : un terme qui piège la liberté d’expression ? », Ensemble N° 78,
avril 2013.
  6. In « Loi du 19 décembre 2003 relative aux infractions terroristes. », Ligue des droits de l’Homme, 17 juillet 2016.
  7. « Loi n° 2014–1353 du 13 novembre 2014 renforçant les dispositions relatives à la lutte contre le terrorisme », JO n° 263 du 14 novembre 2014.
  8. Projet de loi modifiant le code pénal en ce qui concerne la répression du terrorisme, texte adopté en séance plénière, le 1ier décembre 2016.
  9. Loi du 19 décembre 2003 relative aux infractions terroristes.
Powered By MemberPress WooCommerce Plus Integration

Espace membre

Leden